Boeken & CultuurNieuws en achtergronden

Het verhaal van Malala, Nobelprijs voor de Vrede

Vandaag maakte de Noorse Academie bekend dat de Pakistaanse Malala Yousafzai samen met Kailash Satyarthi de Nobelprijs voor de Vrede krijgt toegekend. Malala werd bekend vanwege haar strijd voor het recht van meisjes om naar school te gaan. In 2012 overleefde ze ternauwernood een aanslag van de Taliban. Een jaar later schreef ze samen met journalist Christina Lamb een autobiografie. Hieronder een fragment uit Ik ben Malala.

Koop dit boek

Dinsdag 9 oktober 2012 was de dag dat alles veranderde. Het was toch al geen al te beste dag want het was examenweek – hoewel ik dat als leergierig meisje veel minder erg vond dan veel van mijn klasgenootjes. We kwamen die ochtend bij de smalle onverharde zijweg van de Haji Baba Road aan in een stoet bontbeschilderde riksja’s die sputterend uitlaatgassen uitbliezen, elk daarvan uitpuilend met vijf, zes meisjes.
Sinds de komst van de taliban kun je onze school van buiten niet meer herkennen en de met koperbeslag versierde deur in de witte muur tegenover een houthandel onthult niets over wat erachter ligt.

Voor ons was het een magische poort naar onze eigen speciale wereld. We huppelden over de drempel en schoven de hoofddoeken van ons hoofd als de wind die de wolken wegblaast en plaatsmaakt voor de zon, waarna we als een stel dollen de trap op renden.
Die trap kwam uit op een binnenplaats met alle deuren naar de klaslokalen. We dropten onze rugzakjes in ons klaslokaal en kwamen in de openlucht bijeen voor de dagopening. Daar stonden we met de bergen op de achtergrond keurig te wachten terwijl een van de meisjes riep: ‘Assaan baash!’ oftewel ‘Op de plaats, rust!’
We klakten met onze hakken en antwoordden ‘Allah’. En dan zei de commandant ‘Hoo she yar’ oftewel ‘Geef acht!’ En dan klakten we nog een keer met onze hakken tegen elkaar en riepen ‘Allah’.
De school werd nog voordat ik was geboren opgericht door mijn vader en de naam Khushal School prijkte in prominent rood met wit beschilderde letters op de muur boven ons. We gingen zes ochtenden per week naar school en aangezien ik als vijftienjarige in klas negen zit, bestonden mijn lessen vooral uit het opdreunen van scheikundige formules, het bestuderen van Urdu-grammatica, het schrijven van Engelstalige opstellen over morele kwesties als ‘haastige spoed is zelden goed’ of het tekenen van schema’s van de bloedsomloop – de meesten van mijn klasgenootjes wilden later arts worden.
Het is lastig je voor te stellen dat iemand dat als bedreigend zou kunnen beschouwen. Toch was er buiten onze schoolpoort niet alleen de drukte en chaos van Mingora, de grootste stad van Swat, maar er waren ook mensen als de taliban, die menen dat meisjes niet naar school horen te gaan.
Die ochtend was als elke andere, hoewel we wat later dan gewoonlijk begonnen. De schooldag begon vanwege de examens namelijk pas om negen in plaats van acht uur ’s ochtends, wat mij goed uitkwam want ik houd niet van vroeg opstaan en kan moeiteloos door het kraaien van de haan en de oproep tot gebed van de muezzin heen slapen.
Mijn vader probeerde me altijd als eerste wakker te krijgen. ‘Tijd om op te staan, Jani Mun.’ Dat betekent ‘zielsverwant’ in het Perzisch en zo noemde hij me ’s ochtends vroeg altijd. ‘Alsjeblieft, nog héél even, Aba’, smeekte ik, terwijl ik de sprei nog wat steviger om me heen trok.
Daarna kwam mijn moeder, Tor Pekai. Zij noemde me Pisho, wat ‘katje’ betekent. Tegen die tijd had ik meestal wel door hoe laat het was en dan riep ik uit: ‘Bhabi, ik kom te laat!’ In onze cultuur is elke man je ‘broer’ en elke vrouw je ‘zus’. Zo zien we elkaar. Toen mijn vader zijn vrouw voor het eerst meenam naar school, noemden alle leerkrachten haar ‘mijn broers vrouw’ oftewel bhabi. En zo werd mijn moeder van toen af aan genoemd, ook door ons.
Ik sliep in de lange kamer aan de voorkant van het huis, met als enige meubilair een bed en een kast, die ik met een deel van het prijzengeld had gekocht dat ik had gekregen ‘voor mijn campagne voor vrede en het recht van meisjes om naar school te gaan.
In de kast stonden alle goudkleurige plastic bekers en andere onderscheidingen die ik had gekregen omdat ik de beste leerling van de klas was geworden. Ik was maar een paar keer niet eerste geworden, beide keren omdat ik door mijn rivale Malka-e-Noor was verslagen. Ik had me vast voorgenomen dat niet nog een keer te laten gebeuren.
De school was niet ver van ons huis en vroeger liep ik dat stukje altijd, maar sinds begin vorig jaar ging ik met de andere meisjes in een riksja naar school en nam ik als ik weer naar huis ging de bus. Het ritje duurde slechts vijf minuten, langs het stinkende stroompje en het gigantische reclamebord van Dr. Humayun’s Hair Transplant Institute, waar we altijd het grapje over maakten dat een van onze kale onderwijzers daar vast naartoe was gegaan toen hij opeens weer haar bleek te hebben.

Ik vond het wel fijn om de bus te nemen, want dan zweet je minder dan als je loopt en zo kon ik lekker met mijn vriendinnen kletsen en wat roddelen met de buschauffeur, Usman Ali, die wij Bhai Jan noemden, oftewel ‘broer’ en die ons met zijn idiote verhalen altijd aan het lachen maakte.

Ik was de bus gaan nemen omdat mijn moeder het geen fijn idee vond dat ik alleen naar school zou lopen. We kregen dat hele jaar al bedreigingen. Soms via de krant, soms via brieven, maar meestal via mensen die iets hadden opgevangen. Mijn moeder maakte zich zorgen om me, maar de taliban hadden het nog nooit op een jong meisje gemunt en ik was eerlijk gezegd banger dat ze het op mijn vader hadden voorzien, omdat hij zich openlijk tegen hen uitsprak.
Zahid Khan, een goede vriend en medeactievoerder, was in augustus in zijn gezicht geschoten toen hij op weg was naar de moskee, en ik wist dat iedereen mijn vader waarschuwde: ‘Kijk uit, jij bent de volgende’.
Je kon niet met de auto bij onze straat komen, dus ik stapte op de weg beneden bij het stroompje uit de bus en liep dan door een spijlenhekje een trap op naar ons huis. Ik dacht weleens dat als iemand me zou aanvallen, het daar zou zijn.
Ik ben net als mijn vader altijd al een dromer geweest en op school dwaalden mijn gedachten soms af, en dan stelde ik me voor dat ik op weg naar huis op die trap door een terrorist onder vuur zou worden genomen. Ik vroeg me af wat ik dan zou doen. Misschien zou ik mijn schoen pakken en hem daarmee slaan, maar dan bedacht ik dat ik me dan net zo zou gedragen als die terrorist. Ik zou beter voor een smeekbede kunnen kiezen: ‘Oké, schiet me maar neer, maar luister eerst naar me. Wat je doet, is verkeerd. Ik heb niets tegen jou persoonlijk. Ik wil alleen maar dat elk meisje naar school kan’.
Ik was niet bang, maar ik controleerde ’s nachts altijd heel goed of de poort op slot zat en ik vroeg God wat er gebeurde als je doodging. Ik vertelde het allemaal aan mijn beste vriendin Moniba. We woonden in dezelfde straat en waren al vanaf de lagere school vriendinnen en we deelden alles met elkaar: liedjes van Justin Bieber, Twilight-films en wat de beste gezichtscrèmes waren om een lichtere huid te krijgen.
Zij wilde later modeontwerpster worden, hoewel ze wist dat haar familie dat nooit goed zou vinden, en dus zei ze tegen iedereen maar dat ze arts wilde worden. In onze samenleving is het voor meisjes moeilijk om iets anders dan onderwijzeres dan wel arts te worden, gesteld dát je al mag werken. Ik was anders; toen ik geen arts meer wilde worden maar de politiek in wilde, had ik daar nooit een geheim van gemaakt.
Moniba merkte het altijd direct als er iets was. ‘Maak je geen zorgen’, zei ik. ‘De taliban hebben het nog nooit op een jong meisje voorzien.’
Toen onze bus werd omgeroepen renden we de trap af. De andere meisjes trokken voor ze naar buiten gingen hun hoofddoeken over hun hoofd voor ze achter in de bus stapten. De bus was eigenlijk wat wij een dyna noemden, een witte Toyota TownAce met drie banken erin – twee aan de zijkanten en een in het midden.
Met twintig meisjes en drie onderwijzers was het erg krap. Ik zat aan de linkerkant, tussen Moniba en een meisje dat een klas lager dan wij zat, Shazia Ramzan. We hadden onze examenmappen tegen onze borst geklemd en onze schooltassen stonden op de grond voor ons. En daarna weet ik het allemaal niet meer zo goed.
Het was heet en plakkerig in de dyna. Het was warmer dan normaal voor de tijd van het jaar en alleen het Hindukusj-gebergte in de verte had een wit sneeuwlaagje. Wij zaten achterin, waar geen ramen waren maar alleen een dik plastic zeil dat los hing en flapperde, en zo vergeeld was en onder het stof zat dat je er niet echt doorheen kon kijken. Het enige wat we achterin door een opening konden zien was een klein stukje van de lucht, waar we af en toe een glimp van de zon zagen – die op dat uur van de dag een wazige gele bol was door de wervelende stofdeeltjes die als een wolk om ons heen hingen.
Ik herinner me dat het busje zoals altijd op de hoofdweg bij de controlepost van het leger rechts afsloeg en langs het verlaten cricketveld reed. Daarna weet ik het niet meer.
In mijn droom over de aanslag zit mijn vader ook in de bus en wordt hij net als ik neergeschoten, en dan zijn er allemaal mannen en zie ik mijn vader niet meer.
In werkelijkheid stopten we opeens. Links van ons was de overwoekerde tombe van Sher Mohammad Khan, de minister van Financiën van het eerste bestuur van Swat, rechts van ons was een fabriek waar snacks werden gemaakt. We moeten op nog geen tweehonderd meter van de legerpost zijn geweest.
We zagen niet dat voor ons een jongeman met een baard in lichtgekleurde kleding voor de bus de weg op stapte en ons gebaarde te stoppen. ‘Is dit het busje van de Khushal School?’ vroeg hij aan onze chauffeur.
Dat vond Usman Bhai nogal een domme vraag, aangezien de naam van de school op de zijkant van het busje stond. ‘Ja’, zei hij. ‘Ik wil wat informatie over een paar kinderen’, zei de man. ‘Dan moet je naar het kantoor van de school gaan’, antwoordde Usman Bhai Jan.
Terwijl ze praatten, kwam een andere jongeman die in het wit gekleed was naar de achterkant van het busje lopen. ‘Hé, dat is vast weer zo’n journalist die je wil interviewen’, zei Moniba. Sinds ik samen met mijn vader op bijeenkomsten sprak over het recht op onderwijs voor meisjes en me uitsprak tegen degenen als de taliban die ons liever uit het straatbeeld willen houden, kwamen er inderdaad best vaak journalisten op me af, zelfs Amerikaanse, maar niet zoals nu, zo midden op straat.
De man droeg de traditionele baret en had een zakdoek voor zijn neus en mond geknoopt, alsof hij griep had. Hij zag eruit als een student. Hij stapte op de laadklep en stak zijn hoofd vlak bij ons naar binnen.
‘Wie is Malala?’ wilde hij weten.
Niemand zei iets, maar een paar meisjes keken mijn kant op. Ik was het enige meisje dat haar hoofd niet had bedekt. En toen haalde hij een zwart pistool tevoorschijn. Ik kreeg later te horen dat het een Colt.45 was. Een paar meisjes gilden. Moniba vertelde me later dat ik in haar hand kneep.
Mijn vriendinnen zeggen dat hij drie keer schoot. De eerste kogel ging door mijn linkeroogkas, mijn linkerschouder in. Ik bloedde uit mijn linkeroor en viel voorover in Moniba’s schoot, waardoor de andere twee kogels de meisjes naast me raakten. Een kogel raakte Shazia’s linkerhand. De derde kwam via haar linkerschouder in de rechterbovenarm van Kainat Riaz terecht.
Volgens mijn vriendinnen beefde de hand van de schutter toen hij schoot.
Tegen de tijd dat we bij het ziekenhuis kwamen, zaten mijn lange haren en Moniba’s schoot helemaal onder het bloed.

Uitgever: Unieboek het Spectrum
Vertaling: Nina West

Reageer op dit artikel

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *